CaEy CaRo EyCa ToCa

Cahors

(Diolindum Divona) De inwoners werden Cadurci genoemd. De naam van de stad bestaat uit twee delen die eigenlijk hetzelfde betekenen: dio = godheid, lindo = water, Divona = heilige bron. Een zichtbare herinnering aan de oudheid is de boog van Diane. Opgegraven zijn de sporen van de basilica en het amfitheater. Verder zijn er resten gevonden van thermen, een aquaduct, mozaïeken en zuilen.

zie Kamerijk

Cambrai

CaEs CaTo ThCa

Cassel

(Castellum Menapiorum) De Casselberg was het stedelijk centrum van de Menapii en een plaats waar vele wegen samenkwamen. Er zijn talrijke voorwerpen uit de Romeinse tijd gevonden.

CsBé CsNî ThCa

Castelnau-le-Lez

(Sextantio) Er wordt wel beweerd dat de naam van de plaats slaat op de omstandigheid dat Castelnau-le-Lez vanaf de Pyreneeën het zesde station langs de via Domitia was. Maar deze mythe vermeldt niet welke plaatsen dat dan waren. Sporen uit de oudheid zijn het Oppidum de Substantium, Oppidum de Naviteau, Romeinse villa’s, en in de plaats zelf een Romeins graf en resten van de via Domitia.

ElCe

Cerbère

(Cervaria) Cerbère werd door Pomponius Mela de grens van Gallia genoemd en het is nu het zuidoostelijkste grensdorp van Frankrijk in de Pyreneeën. Ten zuiden ervan, tussen Cap Cerbère en Punta del Ausell loopt de grens tussen Frankrijk en Spanje. Er zijn, voor zover bekend, geen vermeldenswaardige vondsten gedaan uit de Romeinse tijd.

ChNo ChRe SeChr

Chailly-en-Brie

(Calagum) Chailly-en-Brie is een dorpje met ruim honderd inwoners ten zuidoosten van Coulommiers. Het bijzondere er aan is dat het zich op een T-kruising van Romeinse wegen bevindt. De stok van de T is weg D209 naar het zuiden, en de balk is weg N34, die gedeeltelijk op het tracé van een weg uit de oudheid ligt. De identificatie Calagum – Chailly zal voor een niet gering deel op naamkundige overwegingen berusten. Het bewijs voor de juistheid van de gelijkstelling is zwak. Met ongeveer even veel recht zou men Coulommiers aan de Grand Morin kunnen aanwijzen. Zij het dan dat het riviertje in de oudheid waarschijnlijk niet daar werd overgestoken, maar meer naar het westen, bij Pommeuse. Bij Chailly-en-Brie is Gallo-Romeinse keramiek gevonden, en de aanleg van een pottenbakkersoven.

AuCh ChBe ChMâ LaCh

Chalon-sur-Saône

(Cabilonnum) Over Chalon-sur-Saône in de oudheid is niet meer bekend dan dat de Romeinen er vanaf 58 v.Chr. een graanopslag en een garnizoen hadden en dat het een rivierhaven was. In 179 verwierf St. Marcel er het martelaarschap. In 1952 werden de resten van een Romeinse brug gevonden. Verder zijn er beelden, een gebeeldhouwde gedenksteen, graven, sporen van een weg, een ronde toren uit de omwalling, zuilen, stempels, munten en aardewerk aan het licht gekomen.

ChLa ReCh TrCh

Châlons-en-Champagne

(Durocatalaunum) Stad met een militaire functie bij een voorde in de Marne. In de buurt van de kathedraal zijn grafstèles van Dalmatische ruiters gevonden. Verder grondsporen van gebouwen en aardewerk.

ChAl

Cherbourg

(Coriallum) In de wijk Tourlaville ten oosten van het centrum zijn talrijke Romeinse voorwerpen opgegraven: munten, beeldjes, fragmenten van dakpannen en aardewerk, grondsporen van diverse gebouwen waaronder een heiligdom. Aan het begin van de vierde eeuw werd er een castrum gebouwd op de linkeroever van de Divette.

ArCl ClFe ClVo MoCl

Clermont-Ferrand

(Augustonemetum) Zoals de naam al doet vermoeden is Clermont-Ferrand de combinatie van twee plaatsen: Montferrand en iets ten zuiden daarvan Clermont. De laatstgenoemde is veruit de oudste. Met Augustonemetum wordt dus het centrum van Clermont bedoeld. Strabo noemde de plaats Nemossos. Later ontwikkelde de stad zich onder de naam Augustonemetum. De eerste helft ervan slaat op de bijnaam van Octavianus, de eerste Romeinse keizer (augustus = verheven), de tweede helft is de latinisatie van het Gallische woord nemeton = heilig. Onder de Place de la Victoire bevindt zich een Gallo-Romeinse zuilengang. Het museum Bargoin heeft een grote rijkdom aan Gallo-Romeinse voorwerpen.

BeDa

Col de Bentarte

(Summus Pyreneus) Wie van Dax naar het Iberisch schiereiland wilde moest ten zuiden van Jean-Pied-de-Port de Pyreneeën oversteken. Dat kon over twee dicht bij elkaar (ca. 2 km) liggende bergpassen: de Col de Bentarte voor wie in zuidwestelijke richting naar Pamplona (Pompelo) wilde, en de Col d’Arnosteguy voor reizen naar het zuiden en zuidoosten. De eerstgenoemde Col ligt te zuiden van de Pic de Leizar Atheka (1409 meter) en de tweede ten zuidwesten van de Urculu (1419 meter). “Urculu” is waarschijnlijk een verbastering van “Hercules”. Op de Urculu bevindt zich een sokkel waarop misschien een Romeinse vuurtoren voor het geven van lichtsignalen heeft gestaan. Aan de voet van de Pic de Leizar Atheka ligt een geheimzinnige steencirkel, die wel voor een grote Cromlech wordt aangezien. Het is in ieder geval een overblijfsel uit voorhistorische tijden.

BrMo

Col de Montgenèvre

(Alpes Cottiae) Ruim 1850 meter hoge bergpas tussen Italië en Frankrijk. Er wordt gezegd dat de bruikbaarheid van de pas in 77 v.Chr. ontdekt is door Gnaeus Pompeius Magnus tijdens zijn campagne tegen Spanje. Later werd de pas onderdeel van de belangrijkste route naar Zuid-Gallia en Spanje.

VeBe

Col du Grand-St.-Bernard

(Summus Penninus) De col is al een zeer oude doorgang tussen Gallia en Italia. Voor de komst van de Romeinen stond hier een tempel voor de god Penn, die door de Romeinen herkend werd als Jupiter. De laatstgenoemde kreeg hier een standbeeld en de bergpas heette sindsdien ook wel die van Mont Joux.

PeEl

Col du Perthus

(Summus Pyrenaeus) In 218 v.Chr. trok Hannibal hier Gallia binnen. Aan de zuidwestkant van Le Perthus bevinden zich bij de Col de Panissars (niet op de toeristenkaart, wel in de Michelin-wegenatlas 1:200.000) de funderingen van een groot Romeins monument.

AlBe

Col du Petit-St.-Bernard

(Alpis Graia) De Kleine Sint-Bernhardpas vormt de verbinding tussen de Val-d’Isère en de Valle d’Aosta. De Isère valt ten noorden van Valence in de Rhône, door de Valle d’Aosta stroomt de Dora Baltea, een zijrivier van de Po. In de oudheid heette deze pas ook wel de Mons Minoris Iovis, want hier stond een tempel van Jupiter. De huidige naam verwijst naar St. Bernard de Menthon (923-1008). De pas ligt 2188 meter boven de zeespiegel. Er bevindt zich een steencirkel die waarschijnlijk ergens in het eerste millennium v.Chr. is aangelegd. Men denkt dat Hannibal over deze pas Italië binnentrok. In de oudheid bevond zich hier een mansio, die het einde vormt van route AlBe.

SoLe

Col du Somport

(Summus Pyrenaeus) Eén van de belangrijkste passen tussen Gallia en het Iberisch schiereiland. Men wil dat de route via deze pas de ‘Via Tolosana’ werd genoemd en dat de Vandalen en Visigoten in de 4e en 5e eeuw hierover hun weg naar Spanje namen.